Autotour zuiden Fuerteventura: stof, stilte en stranden zonder einde
Er zijn roadtrips waarbij je met een playlist start en ergens tussen het derde nummer en de eerste bocht vergeet dat er nog een rest van de wereld bestaat. De autotour door het zuiden van Fuerteventura is er zo een. Zo’n 155 kilometer door vulkaanlandschap, zoute wind en geschiedenis – van de zuidpunt van het schiereiland Jandía tot diep in het stille, bijna vergeten binnenland van het eiland. Wie zich daarin verliest, keert terug met stof op zijn schoenen en een glimlach die moeilijk te verklaren is.

Morro Jable: ontspannen start aan het einde van de wereld
De tour begint in Morro Jable – de zuidelijkste vakantieplaats van het eiland, die samen met het naburige Jandía Playa een ontspannen vakantiegebied vormt. Geen stress, geen drukte. Eerst diep inademen, een café solo in de hand, de zon op de huid.
Wie de tijd heeft, gaat even langs het Aloë Vera-informatiecentrum. De stekelige woestijnplant is overal op Fuerteventura – langs wegranden, in tuinen, op voortuinen. Dat ze al eeuwen wordt ingezet tegen zo’n beetje alles wat pijn doet, past op de een of andere manier bij dit eiland.

Jandía: natuurreservaat, pisten en de stille wens voor een terreinwagen
Het schiereiland Jandía is bijna volledig natuurreservaat – en dat merk je meteen. Hier is de natuur niet gedecoreerd, ze is er gewoon. Kaal, wijd, onbewogen. De oostkust laat zich nog zien van haar tamme kant met brede zandstranden en turquoise water – maar zodra je de geasfalteerde wegen verlaat, begint het echte avontuur.

Cofete: de piste die elke huurautochauffeur aan het twijfelen brengt
Wie ooit heeft nagedacht over de legendarische grindpiste naar Cofete, kent dit gevoel: je zit in de nette huurauto, kijkt naar de weg voor je – en denkt onvermijdelijk: Een terreinwagen zou nu fijn zijn. Eigenlijk heel fijn. Maar die heb je niet. En toch rij je er op los.
De piste naar Cofete behoort tot het wildste wat dit eiland te bieden heeft. Kuilen, grind, bochten, stof. En dan, in elke tweede bocht: tegemoetkomend verkeer. Een oud gezegde dringt zich onvermijdelijk op en je lacht even, want het is niet ver van de waarheid. Het lijkt alsof hier elke tweede bestuurder de andere van de verkeerde kant nadert, omdat er feitelijk geen goede kant is. De weg is te smal voor twee auto’s, te bochtig voor optimisme en te mooi om om te keren.
Eenmaal boven: een eenzaam strand, zware Atlantische branding, geen parasols, geen bar, niemand die vraagt of je nog iets wilt drinken. Alleen wind, golven en het gevoel ergens aan het einde van de wereld te zijn beland. Dat is Cofete. En daarvoor is elke kras op het onderstel de moeite waard.

Playas de Sotavento: waar wereldkampioenen surfen en je gewoon ligt te genieten
Terug op de FV-2 gaat het langs de kust noordwaarts. Na zo’n 16 kilometer vertakt een zijweg af naar de Playas de Sotavento – vijf kilometer wit zand waarlangs de wereld iets langzamer draait. Hier vinden elk jaar de Fuerteventura WK wind- en kitesurfen plaats. Kiters, windsurfers en golfriders uit de hele wereld bevolken het water. Op het land kun je hen gadeslaan in hun strijd – of gewoon de ogen sluiten en luisteren hoe de wind over het zand trekt.

Costa Calma: palmen midden in de steenwoestijn
Costa Calma verrast. Wat je niet verwacht: palmen. Veel palmen. En pijnbomen. Sinds een ambitieus beplantingsproject uit 1986 omzomen ze de hoofdstraat en creëren ze een bijna bosachtige sfeer die in de verder stenige omgeving van Fuerteventura aanvoelt als een vriendelijke grap van de natuur. Hotels, vakantieresorts, toeristen – alles aanwezig. Maar op de een of andere manier maakt dat hier niets uit.

La Pared: westkust, golvende branding en de grens van het zwemmen
Bij de uitgang van het dorp slaat de FV-605 richting westkust af. Het dorp La Pared is klein, de restaurants zijn goed, het strand is rustig – en het water is verboden terrein. De westkust van Fuerteventura meent het serieus. Sterke stroming, gevaarlijke golven, een Atlantische Oceaan die het zwemverbod straal negeert. Je staat aan de rand en kijkt toe hoe de golven de rotsen bewerken. Soms is toekijken de betere beslissing.

Pájara: bergdorp, berggeiten en een kerk met een azteeks portaal
De doorreis op de FV-605 voert door een landschap dat je gerust episch mag noemen. Kale vlaktes, enkele huisjes, geiten die doen wat ze willen – en dan duikt Pájara op, ingebed tussen bergwanden van wel 600 meter hoog. Het stadje is het bestuurscentrum van het zuiden en draagt dat met zelfvertrouwen: verzorgde parken, indrukwekkende stadspaleizen, een openluchtbad.

De raadselachtige kerk van Pájara
De Iglesia de Virgen de la Regla trekt alle blikken – niet vanwege haar grootte, maar vanwege haar ingangsportaal. Azteekse motieven in een Canarische dorpskerk. Hoe die hier terecht zijn gekomen, daarover twisten kunsthistorici tot op de dag van vandaag. Mooi is het hoe dan ook.
Vega de Río de las Palmas: het groene geheim van Fuerteventura
Vanuit Pájara kronkelt de FV-30 via een smalle bergweg omhoog. Bij de bergpas Degollada de Los Grandadillo loont een korte stop – ver beneden ligt het dal, stil en groen en onwerkelijk mooi in deze kale omgeving.

Het dorp Vega de Río de las Palmas ligt in het waterrijkste gebied van het eiland. Hier groeien tomaten, palmen, groenten. Een drooggevallen rivierbedding trekt door het dal – in de winter voert het soms water naar het nabijgelegen stuwmeer Embalse de las Peñitas, dat nu dichtgeslibd en een stil biotoop is geworden. In het dorp staan twee kerken: de Iglesia Nuestra Señora de la Peña uit de 17e eeuw en de kleine Ermita de Virgen de la Peña, die iets afgelegen op een wandelpad op bezoekers wacht – alsof ze geen haast heeft.

Betancuria: de oude hoofdstad slaapt zacht
Enkele kilometers verder ligt Betancuria – voormalige eilandhoofdstad, vandaag het meest sfeervolle dorp van de hele rondrit door het zuiden van het eiland. Canarische huizen tussen tuinen en palmen, een traagheid die aanstekelijk werkt.

Iglesia de Santa María: gouden plafonds, dikke muren
De Iglesia de Santa María in het dorpscentrum heeft dikke muren – gebouwd om pirateninvallen te weerstaan. Binnenin: een met goud versierd altaar, een pijnhouten plafond in Mudéjar-stijl, koele lucht, stilte. In het aangrenzende ambachtscentrum El Centro Insular de Artesanía is Canarisch handwerk te vinden – echt, geen souvenirwinkelspul.
Antigua: jugendstilvilla en een oude molen
Antigua was tussen 1834 en 1860 de hoofdplaats van het eiland. Dat is nog te merken. Herenhuizen, villa’s, een pastelblauwe jugendstilvilla direct aan de hoofdstraat, dat er zo vanzelfsprekend staat alsof het er altijd al is geweest. Aan de rand van het dorp het openluchtmuseum Molino de Antigua – molen, museum, geschiedenis en een aangrenzend restaurant met Canarische keuken. Na een lange dag precies wat je nodig hebt.

Tiscamanita: molens en het grote slechte land
Verder zuidelijk op de FV-20 duikt Tiscamanita op – rustig, bedaard, met een fraai gerestaureerde molen en het Centro de Interpretación Los Molinos. Ten oosten van het dorp strekt het lavaveld Malpaís Grande zich uit – in het Nederlands: het grote slechte land. Wie via een zijweg nadert en in dit zwarte, grillige landschap kijkt, begrijpt de naam meteen. En vindt hem tegelijkertijd onterecht mooi.

Tuineje: landbouwgewassen en een piratenkerk
Tuineje ligt slechts vier kilometer verder – klein dorp, vruchtbare leemgrond. De streek wordt nog altijd landbouwkundig gebruikt, omdat deze bodem het eenvoudigweg toelaat. De kerk San Miguel Arcángel, voltooid in 1790, omgeven door een verdedigingswerk – een stil getuigenis van de tijd toen piraten geen metafoor waren.

Oasis Park La Lajita: Afrika midden in de woestijn
Dan, net wanneer je denkt alles gezien te hebben: het Oasis Park bij La Lajita. Midden in stof en lava werd hier met uitgebreide irrigatie een weelderig biotoop gecreëerd voor zo’n 250 Afrikaanse, Zuid-Amerikaanse en Canarische diersoorten. Botanische rariteiten, endemische soorten, kleuren. Je hebt er een paar uur voor nodig – en die neem je graag.

Terug naar Morro Jable: met stof op de schoenen
De laatste kilometers op de FV-2 terug naar Morro Jable gaan bijna te snel. Het schiereiland Jandía duikt weer op, dit keer vertrouwd. Je kent haar bochten nu een beetje, hebt haar pisten gevoeld, haar wind gehoord. En denkt al bij het uitstappen: volgende keer – met een terreinwagen.




